57 Moselle

  • Eglise Saint-Martin te Cattenom (Moselle 57)

    Eglise Saint-Martin te Cattenom

     

    Beschrijving.

     Cattenom, in de omgeving van Thionville, heeft één van de meest vreemde Romaanse monumenten in Lotharingen bewaard.  Het gaat om de oostelijke delen van een oude kapel van de ridders van de Duitse Orde, inhoudend een toren.  Zij houdt een dubbel koor in en vormt een unieke architecturale realisatie in, in Lotharigen.

    Boven een onderbouw verheffen zich zorgvuldig passend samengevoegd blokken van zandsteen en in breuksteen.  Zij stellen versierde elementen voor met ruiten of gebeeldhouwde figuren in bas-reliëf; een decor dat men geregeld tegenkomt in de Elzas.

    Op het gelijkvloers tov het verdwenen schip dat waarschijnlijk bestond uit een éénbeukig schip overdekt met een gewelf, opent zich een triomfboog gemaakt met zorgvuldig bijpassende maatstenen en met verschillende kleurtypes.  Het rechthoekig gedeelte van het schip is overdekt met een tongwelf, de veelhoek met een halfkoepel.  Bovenaan deze gewelven situeert zich het tweede koor met een vlak plafond en eveneens met een triomfboog in maatstenen uitgevoerd van verschillende afmetingen, en zichtbaar aan de buitenzijde.

    De toren beëindigt zich met een klokkentoren doorbroken met een dubbele boog op iedere zijde van de veelhoek terwijl zijn rechthoek gedeelte dit slechts in het westen voorstelt.  De noordelijke en zuidelijke zijden blijven echter zonder versiering.  Een piramidaal dak overdekt het geheel.

    Het is vandaag moeilijk om zijn juiste waarde te begrijpen en in te schatten bij deze merkwaardige constructie daar de bouw van een nieuwe kerk in 1831 de oorspronkelijke structuren heeft verstoord.  Volgens alle waarschijnlijk bestond het schip uit een zaal met twee verdiepingen waarvan het gelijkvloers was overwelfd en zich opende op de binnenste triomfboog van de toren.  Bovenaan verhief zich een verdieping die niet meer met precisie kan omschreven worden maar die door de toren werd gedomineerd.  De bovenste kapel van de toren schijnt niet gediend te hebben voor liturgische diensten maar doet eerder aan een verdedigende functie denken.

    De architectuur van de kerk van Cattenom moet eerder gezien worden in relatie met de Ottoonse constructies van de regio van Metz en Trier.  De verschillende tinten bij de stenen, de nauwe overeenkomsten met de toren op het kerkhof van Usselskirch en de gebeeldhouwde elementen moeten de aanvang van het gebouw eerder plaatsen rond de tweede helft van de 11de eeuw.  De aanwezigheid van een koor met twee verdiepingen vormt een uniek voorbeeld in gans Lotharingen en legt zich enkel uit in het kader van een lokale traditie.

    Een grafzerk van de 12de eeuw is ingemetseld in het binnenste gedeelte van de toren.  Zijn inscriptie laat het overlijden kennen van een zekere Walther of Walcher.

     

     

     

    Bronnen :

     

    - Hans-Günther Marschall, Rainer Slotta in Lorraine Romane, collection La Nuit des Temps 61, Editions Zodiaque 1984.
    - Suzanne Braun in Art Roman en Lorraine : Architecture et sculpture, Metz 2005.

     

     

  • Eglise Saint-Laurent te Hesse (Moselle 57)

    Eglise Saint-Laurent te Hesse

    Geschiedenis.

    Het Benedictijnenklooster van Hesse werd waarschijnlijk gesticht op de niet leenroerige grond van de graven van Eguisheim-Dagsburg (Dabo) en verkregen het in 1225, na de dood van de laatste opvolger, door de bisschop van Metz, welke het omvormde in een leengoed.  Na de onverwachte vernielingen rond 1277 en het begin van de 14de eeuw verlieten de monniken de abdij in 1442 en stelden het ter beschikking van de graven van Leiningen welke het toevertrouwden in 1447 aan het collegiale kapittel van Sarrebourg.  Priorij geworden werd het in 1494 geplaatst onder de bescherming van Lotharingen, vervolgens in 1576 een afhankelijkheid geworden van de abdij van Haut-Seille en werd uiteindelijk ontbonden tijdens de periode van de Revolutie.  De slechte staat van bewaring waarin de abdijkerk zich bevond op het einde van de 18de eeuw verplichtte de afbraak van twee traveeën van het schip.  De hedendaagse kerk stelt bijgevolg enkel een fragment van de mooie eenvoudige architectuur.

    Dit oud gebouw was opgericht geweest rond 1200 volgens een kruisvormig plan, vertrekkende van het koor welk een centrale apsis inhield voorafgegaan van een rechte travee en een transept met twee absidiolen, allebei overwelfd.  Er blijft de dag van vandaag nog enkel het koor over zonder zijn noordelijke apsis, het transept ontdaan van zijn noordelijke kruisbeuk en de eerste travee van het koor; op het niveau van de eerste travee is enkel de noordelijke zijbeuk bewaard.  Enkel het koor en het transept zijn nog de originele gedeelten, daterend van de Romaanse periode alsook het schip reeds met zijn verschillende elementen met invloed van een ontluikende Gotische stijl.


    Beschrijving.

    Oorspronkelijk stelde de kerk een basicaal plan voor met drie beuken van drie traveeën en een transept, in het oosten beëindigd door drie apsissen : Een halfronde absidiool in het noorden, heropgericht in de 19de eeuw, in het zuiden een vijfzijdige apsis, en een centrale apsis van twee traveeën waarvan de ene recht, de andere halfvormig en in hoefijzervorm.  De Romaanse gedeelten zijn bewaard gebleven in het koor en in het transept terwijl het schip reeds het begin van de Gotische architectuur aankondigd zoals eveneens in de noordelijke arm van het transept en de toren die hierop staat.  De interesse bij deze kerk gaat vanzelfsprekend vooral uit naar de Romaanse gedeelten van de kerk.
    Het koor is in een bijzondere verfijnde vorm, het staat in verbinding met het transept langs een gebroken boog met vijf cilinders waarvan de booglijsten afwisselend zijn gevormd met torische en schuin toelopende vormen.  De centrale booglijst is versierd met een motief in de vorm van een omgekeerde V.  Deze boog valt terug op de hoge dekstukken met kubische kapitelen gemoluurd.  Het profiel van de dekstukken is gevormd met een opeenvolging van banden, voetringen, hollijsten, voetringen en hollijsten.  Zij staan boven de kubische kapitelen als imposten met uitstekende abacus, kenmerkend voor de late 12de eeuw.  Hun basissen zijn versierd met klauwen van plantaardige vormen.  Drie rondboogvensters verlichten deze ruimte.
    De zuidelijke arm van het transept, overwelfd met kruisribben, is geanimeerd in zijn laagste gedeelten, op de zuidelijke en westelijke wanden door een serie van boogreeksen.  Deze boogreeksen rusten op een klein muurtje en de bassisen van de colonetten hebben een Attisch profiel.  Dit type van decor is veel voorkomend in de late Romaanse architectuur.  Hier is het gebeeldhouwde decor bijzonder overvloedig aanwezig en van een heel grote kwaliteit.  Men bemerkt de alomtegenwoordigheid van diamantpunten eveneens kenmerkend voor de late 12de eeuw.  Een horizontale gebeeldhouwde moluur loopt bovenaan deze diamantpunten en stelt een serie van palmetten voor waarin echte en verzonnen dieren verschijnen alsook menselijke maskers.  De haartooi en de baard van deze laatste zijn van een merkwaardige bijzonderheid.  Zij zijn verdeeld in zones en stellen parallelle groeven voor.  Men vindt dit in het bijzonder terug op de hoofden versierend de kapitelen van de kerk te Frielendorf van bij het begin van de 12de eeuw, en nog op de kapitelen van de kapel Sankt Nicolas van de kathedraal van Friburg opgericht tussen 1200 en 1210. 
    Aan de buitenzijde is men verbaasd door de kwaliteit van het metselwerk.  De maatstenen in middelmatig en groot metselverband met heel regelmatige aanzetten z ijn met hele fijne toevoegingen samengesteld.  De puntgevel van de zuidelijke arm van het transept bewaardt nog zijn Romaans decor met een serie van staafvormige kanteelversiering en met rondbogen.  De zuidelijke zijapsis heeft vijf wanden waarvan twee zijn opengewerkt door de cirkelvormige vensters.  De basis van de muur is bijzonder hoog en stelt een talus voor waarop Attische basissen van lisenen zijn geplaatst.  Deze laatsten, gemoluurd aan de zijden, verlengt zich door een terugval aan de top van iedere wand en vormen tenslotte een soort van Grieks motief.  Onderaan de hoge gemoluurde dakgoot die het dak draagt, loopt een motief van zaagtanding, een motief opnieuw heel frequent voorkomend in de late Romaanse versiering.  Het decor van de centrale apsis is vergelijkbaar maar het ontwikkelt zich op drie niveaus.  Deze onderaan herneemt het motief van de zuidelijke apsis terwijl het bovenste register is onderlijnd met boogreeksen die de lisenen verbinden.
    De kerk van Hesse is een merkwaardig gebouw dat getuigt van de introductie van enkele decoratieve elementen, typisch Duits, op het grondgebied van Lotharingen.  Hier geldt vooral de buitengewone schoonheid en de grote afwisseling van gebeeldhouwde decors.

    Bronnen :
    - Hans-Günther Marschall, Rainer Slotta in Lorraine Romane, collection La Nuit des Temps 61, Editions Zodiaque 1984.
    - Suzanne Braun in Art Roman en Lorraine : Architecture et sculpture, Metz 2005.