54 Meurthe-et-Moselle

  • Portaal kerk Saint-Martin te Nonhigny (Meurthe-et-Moselle 54)

    Portaal bij de kerk Saint-Martin te Nonhigny

     

    Beschrijving.

     

    Het dorp alsook de kerk is tijdens de eerste wereldoorlog bijna volledig vernield.  Met de heropbouw van de kerk heeft men echter het Romaanse portaal gedeeltelijk behouden.Het portaal met twee zuilen en driehoekig fronton aan de gevel is behouden, de rest van de kerk werd herbouwd in 1920 in neoklassieke stijl door architect Jean Lauthe, de toren echter in neobarok.

     

    Bronnen :
    - Hans-Günther Marschall, Rainer Slotta in Lorraine Romane, collection La Nuit des Temps 61, Editions Zodiaque.

  • Priorij Mont-Saint-Martin te Longwy (Meurthe-et-Moselle 54)

    Eglise Saint-Martin te Mont-Saint-Martin

    Geschiedenis.

    Reeds in de 6de eeuw (na Christus) was er reeds een gewijd gebouw opgericht op de Mons Sancti Martine, in de nabijheid van Longwy.
    In 1096 gaf Ermesinde, comitessa de Longui, deze plaats van cultus, alsook de kerk van Villers-la-Montagne en de kapel Saint-Dagobert van Longwy, aan de abdij Saint-Vanne te Verdun.
    Naar vermelding in documenten geciteerd door Fuss, de echtgenote van Ermesinde, stichtte de graaf, Albert von Dagsburg, de priorij van Mont-Saint-Martin op 10 mei 1096.  De gift is bevestigd door Ermesinde en haar tweede man, Godefroy de Namur, in 1124.
    In 1599 werd de administratie van de priorij gekoppeld aan het Jezuïetencollege van Verdun.
    Een restauratie van de kerk werd in de 19de eeuw gerealiseerd, radicaal dat het vandaag moeilijk en zelfs onmogelijk is de hernomen gedeelten van de originelen te onderscheiden.

    Beschrijving.

    De kerk van Mont-Saint-Martin bestaat uit drie beuken op een basicaal plan zonder een aanpalend transept.  Het wordt beëindigd door drie halfronde apsissen, elk vooraf gegaan voor een rechte travee.  Deze in het noorden draagt de toren van een min of meer vierkant plan.  De twee traveeën van het schip komen overeen met de vier traveeën in elk van de zijbeuken.
    Het schip verheft zich op één enkele verdieping met deze van de grote boogreeksen.  Zij is overdekt met kruisribben terugvallend op de pijlers voorzien van twee pilasters in uitstek aan de zijde van het schip.  De pijlers zijn eenvoudigweg vierkant.  De ribben van de overwelving van het schip zijn samengesteld uit drie voetringen, deze in het midden overheersend.  Het is mogelijk dat dit gewelf achteraf geïnstalleerd is omwille het feit dat de gebeeldhouwde kapitelen waarop zij terugvallen onnatuurlijk de gemoleerde impost doorsnijden; een gemoluurde impost die rond de pijlers lopen.  Men moet echter vaststellen dat het ribgewelf er steeds moet aanwezig zijn geweest zijn daar de uitstek van de pijlers geprofileerd zijn in dezelfde aanzet van de steen.  De terugval van de ribben en de bogen gaat op de half ingewerkte gebeeldhouwde kraagsten in de oostelijke muur.  Sommige auteurs vermoeden dat er oorspronkelijk een overwelving in hout moet geweest zijn.  De zijbeuken zijn eenvoudig overwelfd met ribgewelven en zijn door rondboogvensters opengewerkt, één per travee. De gordelbogen stellen een sikkelvorm voor.  De boog die de ruimte voor het koor voorafgaat, is op dezelfde hoogte als de grote bogen gesitueerd.  Deze boog is uitgerust met gebeeldhouwde motieven die herinneren aan het portaal van de Sint-Jacobskerk te Regensburg.  De centrale apsis, overwelfd met een halfkoepel zoals trouwens de twee andere, is eveneens aan de basis van de overwelving benadrukt door een moluur in zigzag-vorm, gedragen door de gebeeldhouwde kraagstenen waarvan de motieven verwant zijn met deze van de westelijke kraagstenen.  De kapitelen van de rechte koortravee zijn van een bijzondere schoonheid.
    Aan de buitenzijde valt vooral de gevel van de kerk op.  Zij is in drie delen verdeeld door de pijlers met verscheidene terugvallen.  De zijdelingse delen zijn opengewerkt door de eenvoudige rondboogvensters terwijl het centrale gedeelte door een groot roostervenster is opengewerkt met een centrale oculus waarrond vier bogen in een accoladeboog uitstralen.  Volgens sommige auteurs is het waarschijnlijk dat men zich van een bestaand motief heeft bediend zoals we terugvinden bij de abdij Saint-Vanne van Verdun.  Hieronder kan men een monumentaal portaal terugvinden waarlangs men het gebouw betreedt.  Het bestaat uit twee insprongen.  Het eerste gevormd met een rondboog versierd met vegetarische en abstracte motieven, verwant met deze die de bogen in de omgeving van het koor versieren.  Deze boog valt terug op colonetten met krulmotieven die de late 12de eeuw aankondigen.  De binnenste terugval is bezet door de deur van een rechthoekige vorm, versneden door een opeenvolging van zaagtanding.  Dit type van decor kan men ook terugvinden op het laatromaanse portaal van de kerk te Bronn en rond 1230 is gedateerd.  Dit laat met al de voorafgaande samenstellingen, vermoeden dat de gevel, de overdekking van het schip en de centrale apsis van de kerk te Mont-Saint-Martin met zijn decor, dateren van het begin van de 13de eeuw tussen 1200 en 1230.  De rest van het gebouw zou toebehoren aan het derde kwart van de 12de eeuw zoals het profiel van de imposten van de pijlers, samengesteld met een voetring en hollijst gescheiden door lijstwerk laat vermoeden.  Dit voorbeeld ziet men ook in de westelijke gevel van de abdijkerk van Marmoutier in de Elzas. 
    De zuidelijke muur is ook doorbroken met een deur die dezelfde kenmerken voorsteld als het westelijke portaal van de kerk Notre-Dame van Saint-Die toebehorend aan de late 12de eeuw.  De drie sluitringen van de rondboog verlengen zich onmiddellijk in de stijlen zonder de inbreng van een kapiteel. 
    In het oosten heeft het gebouw belangrijke restauraties ondergaan zoals op het niveau van de puntgevel van het schip als aan het decor van de centrale apsis.  Het kooreinde stelt zich samen met drie halfronde apsissen.  Deze die de zijbeuken beëindigen zijn van versieringen voorzien en zijn enkel opengewerkt door een rondboogvenster.  De centrale apsis is verdeeld in drie secties door de zware uitstekende lisenen.  Zij ondersteunen een dakgoot gevormd door een serie van rondbogen terugvallend op de gesculpteerde kraagstenen.  Zij zijn langs twee bogen opgewerkt, deze in het midden is dichtgemetseld. 
    De toren die zich achter de apsis van de noordelijke zijbeuk verheft, is in één enkel deel zonder moluren tot op het niveau van de klokken .  Deze laatste is gekenmerkt door paarsgewijze bogen aan de noordelijke, zuidelijke en oostelijke zijden.  De bogen vallen terug op een centrale zuil dragend een half vergaan dekstuk en gezet op een eenvoudige basis.  Het is mogelijk dat deze toren die eveneens deze van de 11de eeuw in de Elzas herinnert, zoals de torens van Wissembourg en Ottmarsheim, eveneens tot deze periode zou behoren zoals eveneens het gebruik van maatstenen in een groot metselverband en de afwezigheid van hoekverbindingen.
    De kerk van Mont-Saint-Martin is dus een kostbare getuige van verschillende stijlen die zich hebben opgevolgd tussen de 11de en het begin van de 12de eeuw en schijnt door deze veranderingen een belangrijk gebouw te zijn in het verloop van deze periode.

    Bronnen :

    - Hans-Günther Marschall, Rainer Slotta in Lorraine Romane, collection La Nuit des Temps 61, Editions Zodiaque.
    - Suzanne Braun in Art Roman en Lorraine : Architecture et sculpture, Metz 2005.