52 Haute-Marne

  • Église Saint-Luc te Voillecomte (Haute-Marne 52)

    Église Saint-Luc te Voillecomte

     

    Beschrijving.

    De kerk van Voillecomte bewaart een Romaanse klokkentoren van het einde van de 12de eeuw, die jonger is als deze van Ceffonds en Wassy en vertoont karaktertrekken van de stijl in de Champagne en de Rijnstreek.

    25.jpg

    Van het licht rechthoekige plan is de verheven klokkentoren overdekt met een zadeldak.  Hij is aan de binnenste zijde gestut door de steunberen geplaatst in het noorden en het zuiden.  De interesse van deze klokkentoren huist zowel in zijn goede verhoudingen als in zijn prachtige verdeling.  De geordende bogen op de 3 verdiepingen gescheiden de ene van de andere door een lijstband die er de versiering verzekerd.

    1.jpg

    13.jpg

    Op de eerste verdieping, op het niveau van het dak van het schip en de apsis, opent zich een rondboog in elk van de noordelijke en de zuidelijke muren.  Gans de breedte van de tweede verdieping is bezet met 5 rondbogen met 3 geopende centrale bogen en 2 kleinere naakte bogen geplaatst aan de uiteinden.  De archivolten rusten op de colonnetten met kubische kapitelen.

    4.jpg

    5.jpg

    6.jpg

    7.jpg

    2.jpg

    9.jpg

    10.jpg

    3.jpg

     

    Wat betreft de bovenste verdieping is deze enkel geopend met 3 rondbogen die breder zijn dan deze van de onderliggende verdieping.

    16.jpg

     

    17.jpg

    18.jpg

    19.jpg

     

    Bronnen.

    - Henri Ronot in Champange romane; Editions de Zodiaque; "la Nuit des Temps 55"; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vire 1981.

    Bijlagen.

    -http://atlas-roman.blogspot.be/2016/12/52-haute-marne-romane.html

    -http://www.monumentum.fr/eglise-pa00079283.html

    -http://www.culture.gouv.fr/public/mistral/merimee_fr?ACTION=CHERCHER&FIELD_1=REF&VALUE_1=PA00079283

    -http://www2.cr-champagne-ardenne.fr/edifices_religieux_52/PA00079283.html

    -http://picard.genea.free.fr/Voillecomte.htm

    -http://www.patrimoine-religieux.fr/eglises_edifices/52-Haute-Marne/52543-Voillecomte/169000-EgliseSaint-Luc

    -http://clochers.org/Fichiers_HTML/Accueil/Accueil_clochers/52/accueil_52543.htm

    -https://plus.google.com/u/0/114232711193413610987/posts/VhPtyzX7XW3

  • Église Saint-Etienne te Vignory (Haute-Marne 52)

    Église Saint-Etienne te Vignory

     Geschiedenis.

    De kerk verschijnt reeds bij het begin van de 9de eeuw in de archieven van de abdij van Luxeuil.  Karel de Grote zou haar bezittingen geschonken hebben alsook de kerken die ervan afhingen.  Van de Karolingische kerk blijft er niets over.

    Guy, de eerste heer van Vignory, sticht in de nabijheid van zijn kasteel, in 1032, een college van kanunniken.  De bisschop van Langres, Hardouin of Hugues I de Breteuil, hebben bijgedragen tot de stichting en aan de kanunniken het recht gegeven om de priester van de parochie te benoemen.  Dit is wat beschreven staat in de charter waarbij zijn zoon, Roger, beslist om de gemeenschap van kanunniken te vervangen door Benedictijnenmonniken en heeft de nieuw opgerichte kerk aan de abdij Saint-Bénigne te Dijon.

    Guy beslist aldus om een nieuwe kerk op te richten.  De nieuwe kerk komt overeen met 2 traveeën van het koor en met 4 traveeën van het schip.

    De constructie van het kerk is stopgezet rond 1049 wanneer de kanunniken werden vervangen door de monniken.  De nieuwe bisschop van Langres, Hardouin de Tonnerre, wijdt de nieuwe opgerichte kerk in en draagt ze over aan de monniken tussen 1051 en 1057.  De nieuwe inplanting moest aan de monniken de mogelijkheid bieden om een priorij te stichten in de nabijheid van het bisdom van Châlons en het aartsbisdom Reims waar de ingevoerde hervorming van Cluny moeilijk vaste voet aan de grond kreeg.

    Een twee oprichtingscampagne hield de realisatie in van de apsis.  Rond de 12de eeuw wordt het gebouw een priorij met priester en de kerk wordt gedeeld tussen een deel van de parochie welk gans het schip inhield, en een gedeelte voor de monniken inhoudende het koor, het kooreinde en het kerkhof rond de kerk.  De klokkentoren moet toegevoegd zijn rond het midden van de 12de eeuw door de parochianen.  Een charter van 1336 beschrijft de verdeling van de bezittingen in de kerk.

    Bij het gedeelte van de monniken verandert er weinig.  Enkel een toevoeging van een kapel in het zuiden van de kooromgang.  De wijzigingen zijn gedaan om nieuwe openingen te creëren om de lichtinval te bevorderen.  In het gedeelte van de parochianen heeft men 5 kapellen toegevoegd in de lengte van de zuidelijke zijbeuk tussen het einde van de 14de eeuw en begin 15de eeuw.  Het schip wordt eveneens verlengd met 2 traveeën en een nieuwe gevel.

    De kerk is steeds goed onderhouden geweest door de priors.  In 1840  beveelt Girault de Prageney de kerk aan bij de archeologen.  In 1843 bezoekt Prosper Mérimée de kerk en verklaart dat de kerk aan de buitenzijde de uitstraling heeft van een kerk van het einde van de 15de eeuw maar hij is sterk verwonderd met de binnenzijde waar men volgens hem een Karolingische en erg versierde kerk kan terugvinden.

    Tussen 1843 en 1852 heeft hij voorgesteld de kerk volledig te restaureren.  Deze werken worden uitgevoerd door architect Emile Boeswillwald.

     

    Beschrijving.

    De binnenzijde.

    De 3 beuken in het schip strekken zich nu uit over 9 traveeën maar de eerste 3 zijn modern terwijl de 6 andere niet zijn herdaan.  In haar plan stelt de kerk enkele onregelmatigheden voor.  Zo versmalt de breedte van het schip vanaf de 6de travee en de zuidelijke zijbeuk verbreedt vanaf deze plaats.  De noordelijke behoudt ongeveer dezelfde breedte over haar ganse lengte.  

    Ook zijn de 8ste en 9de travee langer en op de 9de travee is de pijler rond zowel aan de noordelijke al aan de zuidelijke zijde.  De andere pijlers zijn allemaal rechthoekig.

    Zowel de zijbeuken als het schip zijn overdekt met een houtgebeente.  Hieronder is het schip verdeeld in 3 niveaus van ongeveer dezelfde hoogte met de grote boogreeks, een open tribune en de hoge vensters.

    Naar het koor toe strekt de muur zich uit zonder onderbreking, enkel door de herhaling van de openingen (vensters).  Het vervolg van de muur is bevestigd door de brede pijlers die bijna allen dezelfde afmeting dragen met daarop een impost met een band die eveneens naar beneden is afwerkt.  Men wordt er getroffen door de machtige muren, door de herhalingen en aangetrokken door de verscheidenheid van de insnijdingen en het decor.  De bovenste verdieping van het schip bezit vensters in rondboog met een diepe insprong, geplaatst in de as van de grote boogreeksen en het verdiep van de tribunes.  De zijbeuken worden verlicht langs de bogen van de zuidelijke kapellen of langs de bogen doorbroken in de noordelijke muur, en langs de vensters die boven de tribunes staan.  

    In het schip blijft het gebeeldhouwde decor erg beperkt, zonder kapitelen.  Het is beperkt tot de imposten aan de pijlers en op deze imposten enkel tot de registers in bandvorm.  Deze dienen enkel als een soort van omkadering waarbij een versterkte band aan iedere zijde van de pijlers, een cartouche vormen in de vorm van een trapezium.  De cartouche ontwikkelt zich tot een versiering in zwak reliëf. Hierbij vindt men 2 types van versiering terug waaronder het herhaalde motief dat begint aan de hoeken en zich verder zet op regelmatige wijze zoals motieven met strepen in variërende elementen maar ook met rijen van staafvormige kanteelversiering, visgraatmotieven, kleine palmetten met 3 of 5 bladen, een opeenvolging van druiven of paarsgewijze pijnappels.  Aan de zuidelijke zijde, ter hoogte van de 6de pijler bemerkt men een opeenvolging van halve strepen onderbroken door een origineel element met 2 tov elkaar gestelde dieren namelijk een geit en een griffoen.

    Het 2 type versiering is deze met gecentreerde motieven welke men enkel bemerkt aan de imposten van de ronde pijlers.  Aan de noordelijke pijler houdt het gecentreerde motief in één decor concentrische vlakken in dat de omkadering herhaalt.  Aan de zuidelijke pijler geeft het gebruik van een dierlijke figuur, een symbolisch vervolg weer.  Aan iedere zijde liggen 2 draken op de rug, zonder staart nog poten, de lichamen verenigd in het midden, de gezichten aan de hoek en herkenbaar door hun opgetrokken snuit en hun tong hangende uit hun muil en vullen met hun oren en hun ingegroefde nek het ganse kader op.

    Op de 2de verdieping is het belang om de voorzijde te versieren benadrukt. Deze decoratie is verschillend door de aanwezigheid van de zuilen die op de tribune bovenaan de grote boogreeksen staan, met paarsgewijze bogen afwisselend met de pijlers die vergelijkbaar zijn met deze op de benedenverdieping. Op de vierkante pijlers als op de zuilen is er op de imposten een tegenstelling tussen de imposten met kader die heel talrijk zijn in het westelijke gedeelte, en de imposten zonder kader.  De imposten met kader verschillen niet van deze op de beneden verdieping alhoewel deze ook decors ontvangen met herhaalde motieven en eveneens decors met gecentreerde motieven en men daar talrijkere en meer gevarieerde motieven gebruikt.  Op de 5de pijler aan de westelijke zijde bezetten gebladerte in een meer ruwere dan geometrische stijl, de omtrek en eveneens aan de westelijke zijde zijn aan de 4de pijler bezetten nog 2 tov elkaar gestelde draken gans het kader.  Er heerst eveneens een grote verscheidenheid bij de imposten zonder kader.  Men bemerkt imposten zonder kader met een versierde schuine kant in één herhaald decor, met gemoluurde imposten of volledig overdekt met eierlijsten of ingekerfd met een eenvoudige hollijst.

    Alhoewel op de niveaus van de traveeën 4 tot 9 geen enkele colonnet dezelfde verhouding heeft, zijn deze allen samengesteld met dezelfde elementen zoals een sokkel, basis, ronde cilinder, astragaal, kapiteellichaam met 2 naast elkaar gestelde gedeelten als een afgeknotte kegelvormige basis en hogere gedeelten die uitlopen op een pyramide, een teerling of cabaques.

    Aan de kapitelen van de noordelijke en zuidelijke colonnetten van de 4de en 6de travee is een gedeelte gecombineerd met een bloemenmotief, met rijen gebladerte.

    De verhoudingen van het koor verschillen bijna niet met deze van het schip.  Zo bezit deze ongeveer dezelfde breedte, de lengte van de traveeën is ongeveer gelijk aan deze van het schip en de breedte van de collateralen is iets minder. De opvatting van de architectuur verschilt echter met de pijlers en de triomfboog die de ingang van het koor kenmerkt.

    De triomfboog schijnt ingesloten door het schip.  Zijn vertrek situeert zich op het niveau van de imposten van de tribune en zijn sleutel op het niveau van de basis van de hoge vensters.  Zijn beide kapitelen zijn vergelijkbaar met deze van het westelijke deel van het schip en met hun kapiteellichamen in 2 gedeelten.  Op de teerling schijnt de scheiding van de zijden weinig verzwakt door de afgeknotte hoeken aan de basis van de teerling en de 2 gezichten aan de hoeken van het bovenste gedeelte van het kapiteellichaam.  De imposten hebben er een herhaald decor vergelijkbaar met de imposten van de boogreeksen in het schip.

    Ten oosten van de triomfboog en zijn pijlers, wijzigt de structuur van zijn verheffing en haar opvattingen.  De muurmassa blijft behouden maar zij is massiever en minder geopend.  Het is geen pijler meer die de 2 boogreeksen scheidt maar een werkelijke muur waarbij deze ongeveer het dubbele bedraagt van de pijlers van het schip.  De verheffing beslaat 2 verdiepingen waarbij de grote boogreeksen minder hoog zijn dan in het schip met bovenaan een naakte muur met 2 kleine vensters ongeveer in de as van de boogreeksen.

    De bouwers hebben echter wel rekening gehouden om de verlichting te verzekeren en de voorzijden hiervan te voorzien ondanks het massieve.  De verheffing van de boogreeksen is aangebracht geweest in functie van het licht dat zij lieten binnenvallen zoals een open tribune.  Hun insnijding is in de as en op regelmatige afstand op de vensters doorbroken in de buitenste muren van de zijbeuken.  Dit zelfs in het noorden wanneer de klokkentoren hierop werd geplaatst en men een oculus aanbracht om een boog te vervangen.  De omkadering van de pijler in de as, waarbij 2 colonnetten enkel aan de zijde van het koor zijn aangebracht, komen overeen met 2 colonnetten die de ontlastingsboog van de omkadering van de vensters ontvangt.  

    Een even belangrijk gebeeldhouwd decor in het koor als in de zijbeuken, verlengt het meer geëvolueerde decor van het schip.  De imposten zijn er zonder kader en versierd met moluren.  De in ruwe vorm gekapte kapitelen hebben een naakt kapiteellichaam of aan de hoeken versierd met grote eenvoudige blaren.  De basissen zijn allemaal samengesteld met voetringen gescheiden door de hollijsten of geregeld door holle lijsten.

    Deze strengheid dient verrassend het gebeeldhouwde decor welke in de apsis de 2 kapitelen van grote afmeting prijst, welke de 2 oude, ronde colonnetten dienen. De imposten zijn zonder versiering en bezitten geen enkele vorm van een afgeknotte kegel in het register bovenaan het astragaal.  Het register heeft enkel de vorm van één enkel blok met imposten aan het zuidelijke kapiteel maar elk van de zijden heeft een gefigureerd decor gekregen.

    Aan het zuidelijke kapiteel bemerkt men 2 gevleugelde leeuwen, in hun beweging belemmerd en met de staart tussen de benen, die weerstand bieden aan iedere zijde tegen een gestileerde boom waarvan het takwerk zich in een halve cirkel inschrijft en omringd is met stralen.  Aan de hoeken bieden zij nog steeds weerstand langs hun achterdeel waarboven 2 over elkaar liggende palmetten, zich aanpassen aan de verwijding van de hoek van het kapiteel.  Zo heeft men 2 typen van voorstellingen met één aan de zijde en één aan de hoek die elkaar overlappen en drukken hiermee de dualiteit uit.  De binnenste zone waar de leeuwenlichamen zijn getrokken in een vlakke tint, staan in schril contrast met het bovenste deel dat vegetarisch is gebeeldhouwd met plastieke effecten.

    Het decor van het noordelijke kapiteel is minder geslaagd maar origineler.  Een leeuw waarvan de identiteit is benadrukt door de inscriptie LEO, komt op iedere zijde voor maar heeft de ene keer een opgerichte staart, de andere keer de staart tussen de benen.  Eén of twee keer is de profilering gevormd door de samenkomst van de 2 leeuwenkoppen die een soort van haak vormen bovenaan een gefigureerde verdroging van een palmblad die hun poten omsluiten.

     

    De buitenzijde.

    Deze buitenzijde weerspiegelt zijn binnenste indeling met een schip en zijbeuken in verdiepingen ingedeeld, het koor en haar zijbeuken, de apsis en de kooromgang met haar kranskapellen.

    De klokkentoren verheft zich aan de noordelijke zijde boven de collaterale van het koor met 4 verdiepingen.  De eerste is doorbroken met één enkele opening in rondboog en omkaderd met colonnetten zoals de vensters van de zijbeuken van het koor of op dezelfde hoogte dan de muren van de bovenste verdieping van het koor.  De tweede op dezelfde hoogte van de daken, houdt op iedere zijde een versierde fries in met 3 boogreeksen omkaderend een paarsgewijze boog.  De 2 bovenste verdiepingen zijn vergelijkbaar met ieder van hun zijden met 2 paarsgewijze boogreeksen onder een ontlastingsboog rustend op de colonnetten. Een stenen spits met 8 zijden bekroont het geheel.

    De klokkentoren die hier tov moest staan in het zuiden, is nooit afgewerkt.  Enkel zijn benedenverdieping is in het zuiden geopend door een spitsboog en overdekt met een afdak.

     

    Bronnen.
    - Henry Ronot in Champagne Romane ; La Nuit des Temps 55, Editions Zodiaque, Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vire 1981.
    - Pauline de La Maléne in Atlas de la France Romane; Editions Zodiaque, Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vire 1995.

    Bijlagen.

    -http://atlas-roman.blogspot.be/2016/12/52-haute-marne-romane.html

    -http://www.monumentum.fr/eglise-pa00079268.html

    -http://www.culture.gouv.fr/public/mistral/merimee_fr?ACTION=CHERCHER&FIELD_1=REF&VALUE_1=PA00079268

    -https://fr.wikipedia.org/wiki/%C3%89glise_Saint-%C3%89tienne_de_Vignory

    -https://commons.wikimedia.org/wiki/Category:%C3%89glise_Saint_%C3%89tienne_de_Vignory

    -http://www2.cr-champagne-ardenne.fr/edifices_religieux_52/PA00079268.html

    -http://tourisme-chaumont-champagne.com/patrimoine-culturel/eglise-saint-etienne-de-vignory,fr,57,pcu25

    -https://structurae.info/ouvrages/eglise-saint-etienne-de-vignory

    -http://www.persee.fr/doc/bulmo_0007-473x_1938_num_97_1_8908_t1_0100_0000_2

    -https://aladecouvertedenotrepatrimoine.blogspot.be/2015/09/eglise-saint-etienne-de-vignory.html

    -http://www.patrimoine-religieux.fr/eglises_edifices/52-Haute-Marne/52524-Vignory/176149-EgliseSaint-Etienne

    -https://plus.google.com/u/0/114232711193413610987/posts/PA5KQWQ2KHu

  • Abbatiale Notre-Dame te Montier-en-Der (Haute-Marne 52)

    Abbatiale Notre-Dame

    te Montier-en-Der

     Geschiedenis.

    De kerk van Montier-en-Der die toebehoorde aan het diocees van Châlons-en-Champagne et nu deel uitmaakt van het diocees van Langres, was tot en met de Revolutie, één van de meest belangrijke abdijen in de Champagne.

    Toen de monniken er zich installeerden in 672 was de regio van Der een moerasachtige laagvlakte en overdekt men een enorm woud waar de eik domineerde.  De overheersing van deze boom verklaart de naam van de regio door zijn Keltische etymologie als Derw of Derff wat eik betekent.

    Saint-Berchaire die op deze plaats een abdij voor mannen vastlegde onder het patronaat van de heiligen Petrus en Paulus en hen de Regel van de heilige Colombanus, afkomstig uit Aquitanië, gaf.  Hij was in het monastieke leven gevormd geweest door een verblijf in de abdij van Luxeuil, gesticht door de Ierse monnik Colombanus.  Op vraag van Nivard, bisschop van Reims, stichtte hij vooreerst de abdij van Hautvillers op de heuvel van Reims waarvan hij de eerste abt werd, en vervolgens deze van Montier-en-Der.

    Onder impuls van Berchaire kapten de monniken te Montier-en-Der het woud en legden er de moerassen droog.

    De discipline vooropgesteld door Berchaire was zij dan zo streng om de moord op hem te rechtvaardigen door één van zijn monniken, Daguinus, aan wie hij een uitbrander had gegeven.  Alhoewel het jaar van zijn dood ongekend blijft, is zij gesitueerd door de historici, ongeveer in het jaar 685.

    Van de opgerichte kerk door Saint-Berchaire blijft er niets meer over, ook niet van deze die werd opgericht na 832 door Eudes, abt van Stavelot en Montier-en-Der.  Het gebouw waarvan het schip nog bestaat, zou deze zijn opgericht onder abt Adson en ingewijd door de bisschop van Châlons-en-Champagne, Giboin in 998.

    De personaliteit van Adson die de geschiedenis van Montier-en-Der domineert, moet vermeld worden.  Geboren in de Jura in de loop van de eerste helft van de 10de eeuw, werd hij net zoals Berchaire, in het monastieke leven ingeleid te Luxueil.  Zijn zowel spirituele als intellectuele waarde wordt door de bisschop van Toul, Gauzlin, opgemerkt die hij de leiding van de monastieke school van Saint-Epvre toevertrouwt.  Het is van dezelfde haardsteen waaruit Albéric komt die aangeduid werd om de abdij van Montier-en-Der te leiden en te hervormen, toen ondergeschikt aan Toul.  Hij koos Adson als hulpabt en gaf de zegel als abt door aan hem bij zijn dood, waarvan de datum ongekend is maar voorafgaand aan 968.

    Gekend als één van de meest merkwaardige geesten in de eeuw op vlak van de literatuur, poëzie en muziek, was Adson in vriendschapscontact met zijn meest beroemde tijdsgenoten zoals Gerbert die hij te Reims had ontmoet en die in 999 paus werd onder de naam van Sylvester II.

    Adson stierf in 992 in de loop van een reis naar het Heilig Land en werd op het eiland Astypalaia, één van de Cycladen begraven. 

    Het is zonder twijfel te danken aan de voortvarendheid van de abdij dat men de reconstructie moet toedragen van een deel van het gebouw, rond het begin van de 13de eeuw.  De preromaanse apsis werd afgebroken en vervangen door een belangrijker koor.

    In 1334 liet abt Ferri ten noorden van de ingang van het koor, de kapel der doopvonten, oprichten, ook genoemd de kapel Saint-Berchaire, en de sacristie.

    De kloostergebouwen die van dezelfde periode dateerden brandden in 1735 af, werden heropgericht in 1773, veranderd in 1811 als stoeterij en in 1850 afgebroken.

    De pracht van de kerk van Montier-en-Der was ook niet ontsnapt aan Prosper Mérimée, inspecteur-generaal bij de dienst historische Monumenten toen hij in 1846 een toer deed in de Champagne.  Zijn beoordeling luidde als volgt dat het schip van bij het begin van de 11de eeuw moet zijn, vergelijkbaar met dit van Vignory, zonder gewelf, met de kapitelen en het meest wilde lijstwerk in de wereld.  Hij bracht kredieten bij elkaar en de restauratie begon onder leiding van de architect Emile Boeswillwald vanaf 1851 tot 1879 en werd vervolgens verder gezet door zijn zoon Paul vanaf 1882. 

    Op 15 juni 1940 kende Montier-en-Der de meest tragische periode uit zijn lange bestaan.  Tijdens een Duits bombardement dat ongeveer volledig de stad vernielde, werd de kerk vernield door brand.  Het Gotische gedeelte weerstond maar het houten plafond had vuur gevat en het overdekt gebleven schip stortte in 1942 in.

    Dankzij de tussenkomst en de hardnekkigheid van een toonaangevend iemand in de Der, Pierre Arnoult, een inspecteur-generaal bij financiën, werden de benodigde fondsen bij elkaar gebracht en de reconstructiewerken begonnen vanaf 1945 onder leiding van Jacques Laurent, architect-chef bij de dienst historische Monumenten.

    Nu ziet men het preromaanse schip zoals zij reeds bestond voor de brand van 1940.  De uitgevoerde opgravingen in de loop van de restauratiewerken, hebben in het westelijke deel van het schip, de funderingen van een westelijk massief aan het licht gebracht wat laat veronderstellen dat het schip is opgericht, op de plaats van een reeds vroeger bestaande, dat het Karolingische plan van de kerkportalen voorstelde.  Verder hebben de werken in de gootmuur van de noordelijke zijbeuk, een opus spicatum aan het licht gebracht, nu echter overdekt met een pleisterlaag.

    61.jpg

     

    Beschrijving.

    Het schip is een sobere beuk waarvan de heel mooie samenhang in verheffing 8 grote rondbogen toont, die rusten op rechthoekige, heel lage pijlers en onderlijnd met een impost van lijstwerk voorzien.  Bovenaan de grote boogreeksen zijn de paarsgewijze rondbogen geplaatst onder een ontlastingsboog en verdeeld door 2 gekoppelde colonnetten die cilindrisch of polygonaal zijn, en met daarop een kubisch kapiteel met een van lijstwerk voorzien dekstuk.

    19.jpg

    32.jpg

    33.jpg

    24.jpg

    25.jpg

    Deze bogen die zich aanvankelijk op de tribunes van de collateralen openden, zijn dichtgestopt geweest toen men een overwelving van een gedeelte van de collateralen ondernam.  Met de restauratie van de 20ste eeuw zijn deze opnieuw geopend.  Geplaatst tussen de paarsgewijze bogen en ontvangend de terugval van de ontlastingsbogen beantwoorden de rechthoekige pijlers met hun uitstekend impost, exact aan deze van de verdieping van de grote boogreeksen waarvan ze gescheiden zijn door een van lijstwerk voorziene kordonband die volledig uitsteekt op de muur.  Hierboven bevindt zich een grote naakte muur die doorbroken wordt met de hoge rondboogvensters.

    31.jpg

    35.jpg

    Het schip is overdekt met een houten overwelving in de vorm van een omgekeerde scheepsromp dat bij het begin van de 16de eeuw werd aangelegd en het oorspronkelijke plafond heeft vervangen.

    19.jpg

    40.jpg

    Men veronderstelt dat het schip oorspronkelijk werd voorafgegaan door een narthex of een westelijke massief dat overeenkomt met de 2 eerste traveeën.  De grote bogen zijn er meer verheven en de pijler gesitueerd tussen de 2de en de 3de boogreeks, stelt een rechthoekig plan voor waarbij de grote zijde een lengte heeft van ongeveer 4 meter.  Deze onregelmatigheid stelt een probleem welk een oplossing kreeg dankzij de opgravingen uitgevoerd na 1940.

    21.jpg

    29.jpg

    30.jpg

     

    De 2 nauwe en minder verheven zijbeuken zijn verdeeld in traveeën door de ronde gordelbogen.  Deze in het noorden, overwelfd met kruisribben, stelt geen openingen voor in de gootmuur maar wel het spoor van 2 deuren van de 12de eeuw die de toegang verschaften met de kloostergang en die tijdens de afbraak van de kloostergebouwen werden dichtgestopt.

    31.jpg

    38.jpg

    33.jpg

    In de zuidelijke zijbeuk zijn de stenen overwelvingen die begin 16de eeuw zijn aangebracht, niet herdaan geweest maar vervangen door een eenvoudig plafond in hout.  De verlichting van deze zijbeuk wordt verzekerd door de hele nauwe vensters.

    43.jpg

    41.jpg

    42.jpg

    44.jpg

     

    Bronnen.

    - Henri Ronot in Champagne romane; Editions de Zodiaque; la Nuit des Temps 55; Abbaye Sainte-Marie de la Pierre-qui-Vire 1981.

    - Suzanne Braun in Champagne-Ardenne; Architecture et sculpture romanes; Editions Créer; Saint-Just-près-Brioude 2008.

    Bijlagen.

    -http://atlas-roman.blogspot.be/2016/12/52-haute-marne-romane.html

    -http://www.monumentum.fr/eglise-pa00079153.html

    -http://www.culture.gouv.fr/public/mistral/merimee_fr?ACTION=CHERCHER&FIELD_1=REF&VALUE_1=PA00079153

    -https://fr.wikipedia.org/wiki/Abbatiale_Saint-Pierre-et-Saint-Paul_Montier-en-Der

    -https://commons.wikimedia.org/wiki/Category:Abbatiale_Saint-Pierre-et-Saint-Paul_(Montier-en-Der)?uselang=nl

    -https://structurae.info/ouvrages/abbatiale-saint-pierre-et-saint-paul-de-montier-en-der

    -http://www.patrimoine-religieux.fr/eglises_edifices/52-Haute-Marne/52331-Montier-en-Der/168464-EgliseabbatialeSaint-PierreetSaint-Paul

    -https://plus.google.com/114232711193413610987/posts/XozswMbbtMg